Interviews, nieuws, foto- & video-reportages over de aanpak van schooluitval in Limburg.
Initiatief: Monaïm Benrida
Projectcoördinatie & Productie: Deviante
Tekst & Redactie: Melinde Bussemaker
Fotografie: Peter Wouters
Vormgeving: Bidust
Eindredactie: Yvette Collet
Mede mogelijk gemaakt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
“Een verstandig maatje, dat ben ik.” Aan het woord is Giel Graven, Buddy in de regio Maastricht. Samen met zijn vier collega-Buddy’s helpt hij leerlingen op weg. “Het gaat om jongeren in het vmbo en mbo die wel in staat zijn om hun diploma te halen, maar bij wie het door omstandigheden niet lukt.”

Het project startte begin schooljaar 2010-2011. Giel heeft sindsdien zo’n vijftien leerlingen onder zijn hoede gehad en niet zonder succes. “Op één na heb ik ze allemaal kunnen helpen. Het is mooi om te zien wanneer dat lukt. Soms is een oplossingen snel gevonden. Zo was er een jongen met ADHD die ik aanraadde de huisarts om andere medicijnen te vragen. Bij de medicijnen die hij slikte was regelmatige, structurele inname heel belangrijk. Dat lukte hem niet. Met de nieuwe medicijnen is de rust terug in zijn hoofd en gaat het ook weer stukken beter op school.”
Willen leren
Maar niet iedere leerling is zo gemakkelijk geholpen. “De oorzaken zijn uiteenlopend. Meestal signaleert de school dat er een probleem is. Het Zorgadviesteam van de school meldt de jongere vervolgens aan bij de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL). Die beslist in een overleg of de leerling in aanmerking komt voor Buddyzorg. Zoja, dan stellen ze een behandelplan op. De Buddy neemt daarna binnen vijf dagen contact op met de leerling.”
Concrete hulp
Tien weken lang is er intensief contact tussen Buddy en leerling. Giel: “Eerst is er een ontmoetingsgesprek, vaak bij de mensen thuis, behalve als juist daar het probleem ligt. Het is goed om te zien hoe een jongere woont en leeft. Daarna probeer ik de meeste afspraken op school te plannen, omdat de leerlingen dan al zijn waar ze moeten zijn. Vervolgens gaan we heel concreet aan de slag. Ik help ze op weg met wat nodig is. Dat kan zijn het regelen van woonruimte, het maken van een planning voor een bepaald vak of het inschakelen van de juiste hulpinstanties.”
Het vingertje
Giel raakt betrokken. “Maar ook weer niet té betrokken. Ze moeten me vertrouwen, hun verhaal kunnen doen, aandacht is daarbij het toverwoord. Maar aan de andere kant moeten ze ook luisteren wanneer ik zeg dat ze iets moeten doen. Het blijft dan ook altijd ‘meneer’ en ‘u’. ”Zo belde hij een keer een jongen op dat hij nú naar hem toe moest komen. “Ik zei dat als hij er over een half uur nog niet zou zijn, ik voor zijn deur zou staan. Dat hielp. Aan de andere kant ben ik niet iemand van de school zelf. Ik ben niet ‘het vingertje’ dat zegt dat je niet mag spijbelen. En ik hoef aan de school ook niet door te geven wanneer de leerling iets niet doet.”
Eigen rol
Het werk is erg oplossingsgericht. “Ik wijs ze op hun eigen rol. Dan geef ik ze bijvoorbeeld het benodigde telefoonnummer, maar ze moeten wel zelf bellen. Of we gaan het eerste gesprek op een nieuwe school samen aan, maar daarna gaan ze alleen. Na tien weken moeten ze het tenslotte ook zelf kunnen doen. Al houd ik met sommigen nog wel contact. Bijvoorbeeld met Salvana (‘Jongere aan het woord’ op pagina 2 en 3). Als zij volgend jaar haar diploma haalt, zit ik vooraan in de rij. Dan ben ik trots ja.”
Bezig met laden posts...